Biografie Flappie

Ik kom uit een wat je noemt warm nest. Letterlijk. Mijn moeder had een hol gegraven vlakbij de bakkerij op de hoek van het dorp. Daar, vlakbij het ventilatieluik van de oven, was het lekker warm en rook het natuurlijk heerlijk. En daar lag ik dan met mijn broertjes Flippie & Floppie en zusjes Fleppie en Fluppie. Vlak boven ons de warme lucht die naar broodjes en croissantjes rook. Mijn moeders melk smaakte daardoor denk ik ook zo lekker. Soms een vleugje speculaas, soms een beetje kaneel. Ik denk dat ze stiekem af en toe bij de bakker iets lekkers ging halen. Je begrijpt, die eerste twee weken had ik de tijd van mijn leven. Toen gingen mijn ogen open.

De eerste keer dat ik uit het hol kroop weet ik nog heel goed. Het felle zonlicht verblindde mij en mijn zusje Fleppie, waardoor we in de ingang van het hol bleven staan, maar Fluppie huppelde al vrolijk door. Er kwam een zwaar geluid gevolgd door een hoog ‘toettoet’ en ‘vroem’ en weg was Fluppie. Ik heb haar nooit meer terug gezien. Fleppie en ik hebben nog wel even gezocht, maar we konden haar niet meer vinden. Weg!

Een paar weken later hadden we wel ontdekt dat het hol uitgaan niet ‘weg voorgoed’ hoeft te betekenen. Uitgelaten speelde Flip, Flep en ik haasje over op een strook gras naast de bakkerij. Mama was even weg voor een boodschap en wij hoopten op een lekker stukje krentenbrood. In plaats daarvan kwam er ineens een heel groot mens aanlopen, met een doos. Ik spitste mijn oren en hoorde mijn mama, vanuit de doos. De man zei “jullie moeten hier weg jongens. Dit is geen plek voor kleine konijnen, zo vlakbij de weg.” Bij ‘weg’ dacht ik aan Fluppie. Voor ik het wist voelde ik een hand in mijn nekvel en werd ik opgetild. Mama had dat wel eens gedaan, maar nu ging ik hoger dan ooit. En ineens was het heel donker. Ik riep en hoorde en voelde dat mama, Flippie, Fleppie ook in de donkere ruimte waren. Het was niet ons hol en het wiebelde ook heel erg. Ik heb mijn ogen dichtgedaan en ben dicht tegen mama aangekropen.

Het leek een eeuwigheid te duren totdat het wiebelen ophield. De donkere ruimte werd gevuld met licht en ik voelde frisse lucht. Voorzichtig keek ik naar boven en zag allemaal bomen. De man die ons in de doos had gedaan, zei dat we hier voortaan maar moesten gaan spelen. We renden achter mama aan het bos in. Floppie was nergens te bekennen. Ik heb later gehoord dat hij iets met computers is gaan doen ofzo.

We misten ons warme hol, de heerlijke geur van de bakkerij. In het bos was het koud en nat. Maar in één ding had de man gelijk gehad: je kon hier fantastisch spelen! Samen met Flip en Flep rende ik door de struiken, langs de bomen, over mos en gevallen bladeren. Het was niet een heel dicht begroeid bos en al gauw bereikten we de bosrand. Daar begon het weiland en verderop hoorden we geluiden die mij weer aan Fluppie deden denken. Mama ging niet mee naar de bosrand. Ze vond het eng daar. Ik denk dat ze de bakkerij heel erg miste.

Op een dag besloot mama om terug te gaan naar de bakkerij. Wij bleven met z’n drieen achter. Zonder mama, dat was wel even slikken. Eerst lekker spelen natuurlijk, maar daarna? Wat moeten we eten? Waar gaan we slapen? Als drie hulpeloze konijntje dronken we van de dauwdruppels die aan de struiken hingen en kropen we in de schemering dicht tegen elkaar aan. Af en toe riepen Flippie en Fleppie wel en dan hoopten ze dat mama gauw terug zou komen. Maar ik wist wel beter. Mama was voorgoed terug naar de bakkerij. Ze had ons verlaten.

Na nog een week zonder mama hadden we alledrie heel erge honger. We besloten richting de bosrand te gaan, om te kijken of daar ergens iets te eten was. In het weiland daar begonnen we maar een beetje aan het gras te knabbelen. Ik miste de speculaassmaak een beetje, maar het was okee. De ergste honger was weg. Toen kregen we de schrik van ons leven. Het leek wel of er mensen aan kwamen. Vlakbij de bosrand liep een soort ‘weg’ waar ineens mensen liepen. Gauw renden wij terug de bosjes in. Stel je voor dat ze ons weer wilden pakken en in een doos zouden stoppen. We hielden ons heel stil.

Die nacht was het erg slecht weer. Het waaide en regende heel hard. Flip en Flep zaten in een diep hol waar ze maar met z’n tweeën in pasten. Dus was ik op mijzelf aangewezen. Voor zover het lukte had ik mijzelf een beetje ingegraven onder een struik. Een groot blad van een boom beschermde mij tegen de ergste regen. Maar het was enorm koud en ik deed geen oog dicht. Toen de zon weer opkwam en de regen eindelijk ophield ging ik gauw kijken of Flip en Flep het ook zo koud hadden. Maar op de plek waar zij in het hol hadden gezeten lag nu een grote plas water. Ik kon het hol met mijn broertje en zusje erin nergens meer vinden.

Alleen op de wereld, verlaten door alles en iedereen liep ik verdrietig terug naar de bosrand. Ik dacht aan mijn familie en de bakkerij. Hoe zou ik terug in de tijd kunnen gaan om ze allemaal weer te vinden? Ik was hongerig, moe en nat. Op zoek naar iets eetbaars liep ik langs de bosrand en kwam steeds dichter bij de weg terecht. Uitgeput ben ik daar gaan liggen, om even te slapen. Ik hoorde stemmen en voetstappen van mensen steeds dichterbij komen, maar had niet meer de kracht om weg te rennen. Twee warme handen tilden mij op en drukte mij dicht tegen zich aan. Het voelde veilig en vertrouwd. Alles was beter dan in de echte wereld blijven...

Verheul Communicatie